Al mijn hele leven is horen/gehoord worden/luisteren en de niet-variant ervan, een thema. Toen ik 1 jaar was, kreeg ik mijn eerste (h)oorontsteking. Er volgden er nog tientallen. Op de lagere school was het soms wel elke maand raak. Er waren periodes dat ik een beetje doof was en enigszins in een isolement leefde. Ik realiseerde me pas hoe dat geweest moet zijn, ik heb namelijk nog heel weinig herinneringen van vroeger, toen ik na covid allemaal rare oorklachten kreeg, o.a. doofheid. Heel naar om je zo afgesloten te voelen, niet bij betrokken te kunnen zijn bij wat er om je heen gebeurt.
Ik was kind aan huis bij de kno-arts, mijn tekeningen hingen bij hem aan de muur en hij schreef een gedicht in mijn poëziealbum. Hoe vaak kreeg ik niet een volledige narcose, met zo’n kapje? Volgens mijn moeder zeker 30 keer. Alle amandelen eruit, buisjes, talloze keren doorprikken en een soort semi-transplantatie van het trommelvlies. Als er een dokter of assistente in mijn oren kijkt, staan ze echt even met hun eigen oren te flapperen; mijn trommelvliezen zijn overblijfselen van vele veldslagen, alleen maar littekenweefsel en niet meer transparant zoals ze horen te zijn. De arts zei dat ik eroverheen zou groeien, zo rond mijn 18e. Dat klopte aardig, maar het is altijd mijn zwakke plek gebleven. Even snotterig? Bingo! Later werden het vaak voorhoofdsholteontstekingen. Maar nu is mijn oude kwaal weer terug. In het mooie, bloedhete Kroatië lag ik gisteren de oorpijn te ondergaan zoals ik dat al ontzettend vaak gedaan heb. Stilletjes in elkaar gedoken in bed, hopend dat het snel over zou gaan.
We huurden een appartement in het dorpje Kali (de hindoeïstische godin die o.a. staat voor vernietiging en zuivering) en aan het begin van ons straatje stond een wit beeld van een volle, knuffelgodin zoals ik het zie. Boven mijn bed hing een afbeelding van Maria. ‘Toevallig’ las ik ook net het boek van Ton van der Kroon over de roep van de godin. Terwijl de pijnscheuten me af en toe bijna lamlegden en de druk in mijn oor steeds groter werd, riep ik de godin aan en sprak ik meerdere keren uit dat ik me overgaf. Aan wat? Wat dan ook. Aan het laten gebeuren wat er gebeurt, niet hoeven afdwingen (‘toe nou, breek nou eens door, laat de pijn stoppen’, etc.), het proces het proces te laten zijn. Liefde voelen voor mijn lijf dat zoveel heeft doorstaan en het altijd zo goed gedaan heeft (ik bedoel maar, zoveel gepeuter aan mijn oren en dan nog best goed kunnen horen). Voor het kleine meisje dat al zo jong zoveel pijn moest ervaren. Voor mijn ouders die probeerden er zo goed mogelijk mee om te gaan en voor wie het hartverscheurend moet zijn geweest. Liefde willen voelen voor dit lijf en voor deze ziel die ik ben en tegelijkertijd weten dat het een los van het ander staat, en ook weer niet. En op een bepaald moment gebeurde het, kon ik mezelf, mijn lichaam begeleiden en brak het trommelvlies door, zodat de druk eraf was, de prut eruit kon en de pijn verdween.
Luisteren. Het is een van de belangrijkste ‘tools’ in mijn werk. Als ik niet luister naar het verhaal van mijn klanten, kan ik ook niet naar de essentie gaan van wie ze zijn en wat ze (hier te) doen (hebben). Door echt te luisteren kan ik ze die essentie laten zien en voelen. Elke keer een ontroerend feestje.
Ook in het werk voor een krant, dat ik jarenlang deed, bestond mijn werk vooral uit luisteren. Soms vonden de mensen die ik interviewde het van tevoren spannend, ‘het interview’. Maar altijd kreeg ik achteraf te horen hoe fijn het was om gewoon een gesprek te voeren. Ik stelde een enkele vraag, maar vooral om ze aan het praten te krijgen over wat zij belangrijk vonden. Omdat ik ze niet wilde sturen met allerlei vooraf bedachte vragen.
Luisteren naar anderen (ook naar wat ze niet zeggen en wat daarin gezegd wordt). Dat kan ik heel goed. Het gaat me natuurlijk af. Blijkbaar zo sterk dat mijn oren vroeger regelmatig aangaven: nu is het genoeg, we stoppen er even mee. Toedelidoki. En een pijnlijke en soms geïsoleerde periode diende zich dan aan.
Maar luisteren naar mijn eigen, innerlijke stem, hoe zit het daarmee? Dat is nog weleens een uitdaging. Hoewel ik uiteindelijk altijd toch mijn eigen keuzes maakte, ik kon gewoon niet anders, wat in de ogen van anderen soms eigenwijs leek, is er ook nog zoiets als echt luisteren. Naar die innerlijke stem, naar wat je echt nodig hebt. Emotioneel, geestelijk, fysiek. Even in je eigen ruimte duiken, je onderdompelen in je innerlijke wereld, de wijsheid, de stilte, het zijn, het niets. Waar je ook je inspiratie vindt, op een dieper niveau. Waar het creatieproces echt ontstaat. Waar je verbonden bent met die andere wereld, de onderstroom, die ongeziene sfeer die zo graag gezien en gehoord wil worden. Onderdeel wil zijn van ons leven. Dat wat we zo makkelijk opzij schuiven omdat er zoveel schreeuwt, belangrijk lijkt, op de voorgrond onze aandacht probeert te pakken. Maar wat is er nou echt belangrijk? Dat ondergrondse gefluister. De tekens die zich op allerlei manier kenbaar maken. En daar dan naar luisteren.