‘Wat doe je?’ Deze vraag doet me stamelen. Ik ga ervan nadenken en voel me bijna gedwongen om mezelf te definiëren. ‘Eh, ik ben nu met aan jou het praten. Vanmorgen bracht ik mijn kind naar school, straks ga ik een opdracht afmaken, later ga ik koken en vanavond geef ik les op de sportschool. Ik mag interessante mensen interviewen, columns schrijven voor de krant, professioneel boeken lezen en recensies erover schrijven. 20 jaar geleden runde ik de keuken van een conferentieoord en ongeveer 30 jaar geleden studeerde ik af als modestyliste. Tussendoor heb ik zo veel gedaan dat ik door de bomen het bos nauwelijks meer kon zien en het soms voelde alsof ik alleen maar zijsporen bewandelde. Maar gelukkig is die tijd nu voorbij.’ En dat kan per dag verschillen.
‘Waar kom je vandaan?’ Oh nee, weer zoiets. ‘Nou, ik ben geboren in Hengelo, vertrok op mijn vierde en het voelt niet als mijn plaats van herkomst. Ik groeide op in Drachten, laten we het daar maar niet over hebben, daar voelde ik me niet thuis. Zwolle, Kampen, Epe, twee weken Deventer en toen Amsterdam. Daar had ik voor het eerst het gevoel dat ik mezelf kon zijn. Als ik dan ergens vandaan moet komen, zou ik het liefst Amsterdam zeggen (eigenlijk nog liever Nieuw-Zeeland. Mag dat?). Toch vertrok ik weer, naar Den Bosch, nogmaals naar Epe, Warnsveld en uiteindelijk naar Vorden waar ik het erg naar mijn zin heb.’
‘Wat wil je worden?’ Ja, natuurlijk. Dat is de ergste. Vroeger ontstond er meestal kortsluiting wanneer dit aan mij gevraagd werd. Qua beroep had ik echt nog geen flauw idee. Hoe kun je van kinderen verwachten dat ze op jonge leeftijd al weten welke studie ze gaan doen, laat staan waarmee ze later hun geld gaan verdienen? Ik wist het zelfs zo erg niet dat ik na de MAVO koos voor de HAVO; twee jaar uitstel, zeker toen je nog niet aan pakketten vastzat, maar elk vak kon kiezen dat je wilde, wat kon zorgen voor wonderlijke combinaties (in mijn geval Nederlands, Engels, Frans, Duits, biologie en tekenen).
Maar het was vooral de vraag zelf die zorgde voor de verwarring. Waarom moest ik nog iemand gaan worden? Ik was toch al iemand? Het enige kloppende antwoord dat ik kon bedenken en mijn enige antwoord werd, was: ‘Gelukkig.’ Mijn zusje had er ook iets op gevonden: ‘Moeder’. En dat is haar gelukt.
Wat zou er gebeuren als we andere vragen zouden stellen? Bijvoorbeeld: ‘Waar gaat je hart sneller van kloppen?’ ‘Ken je het verhaal van je voorouders?’ ‘Als je terugkijkt op je leven, zou je dan andere keuzes maken?’ ‘Wanneer voel je je gelukkig?’
Ik wil het experiment wel aangaan, niet meer de standaardvragen stellen waarmee we standaardantwoorden kunnen verwachten, maar verrassende waarmee de ander de kans krijgt iets van zijn of haar unieke verhaal te vertellen. Voorbij de oppervlaktelaag.
Met dat gelukkig worden is het trouwens best goed gekomen. Dat wil niet zeggen dat ik het leven altijd zo leuk vind, soms vind ik er zelfs niet veel aan. Het daagt me nog altijd uit en ik heb het nog steeds niet onder de knie, maar ik leer graag. Ik geniet van vriendschap, schoonheid, passie. Ik ken het gevoel dat vervulling kan geven, van ertoe doen, van zijn. Iemand vertelde me ooit dat een van de grootste leraren aller tijden niet gezegd heeft ‘Ik ben die ik ben’, maar ‘Ik ben dat ik ben’. Dat zou voldoende moeten zijn.